Land met een verhaal

Nederland rivierendelta

Op de plaats waar nu Nederland ligt, kwamen duizenden jaren geleden een paar grote afvoerstromen vanuit het Europese gebergte naar de zee. Na een groot verval kwam dit smelt- en regenwater met groot geweld naar beneden om in de lage landen tot rust te komen. Onderweg werd veel erosiemateriaal meegenomen dat steeds meer kans kreeg zich af te zetten naarmate de stroomsnelheid afnam. Al die jaren zette dit materiaal zich af in de uitstroomdelta voor de zeemonding.

Door de grote dynamiek van de diverse stromen varieerde de hoogte behoorlijk en vloeide het water via een aantal nevengeulen af naar zee. Op weg daarheen werden eerder afgezette zandmassa’s opzij geduwd en ontstonden zandwallen die een natuurlijke barričre vormden waarbinnen het water haar weg moest zoeken. Telkens wanneer het water steeg en de hoofdstroom verliet, zakte het zwaarste materiaal (zand en grind) het eerst waardoor dit zich dicht bij de oorspronkelijke rivier afzette. Hierdoor ontstonden dicht bij de rivier de zogenaamde oeverwallen.

Tussen deze oeverwallen en de zandwallen ontstond een soort kom, die zich bij hoog water telkens vulde en waarin de kleinste deeltjes (klei) konden uitzakken. Bij laag water kwamen de oeverwallen telkens droog te liggen en groeiden ze ook aan bij elke volgende overstroming. Hierdoor konden mensen zich daar vestigen en zijn de eerste bewoonde plekken langs de Maas ook op deze oudste en grootste oeverwallen of zandkoppen gevonden.De komgronden daarentegen waren onbewoonbaar en nauwelijks te ontginnen. Pas met het toenemen van de mechanisatie in de landbouw lukte het om de komgronden te bewerken en werd het mogelijk om er boerderijen te bouwen.

Het gebied van de Maasmeanders ligt aan de zuidzijde van de Maas, dichtbij de plaats waar de twee hoofdstromen (Maas en Rijn of Waal) bij elkaar kwamen. Omdat op de hogere oeverwallen al vroeg kon worden gewoond, en gelet op de strategische functie van de rivieren, bouwden de Kelten en later de Romeinen in deze omgeving al nederzettingen, offerplaatsen en tempels. Belangrijke archeologische vindplaatsen zoals bij Empel, Kessel, Teeffelen en Haren leveren hiervoor steeds meer bewijzen.

De Maas bracht natuurlijk het gevaar van overstromingen, maar gaf ook eiwitrijk voedsel en de afgezette klei zorgde voor vruchtbare grond. Daarnaast bood de rivier bescherming tegen vijandelijke aanvallen. In latere tijden nam de betekenis als transportweg toe en de mogelijkheid om tolgelden te innen van passerende schippers.

Het Maasmeandergebied behoort tot het rivierengebied van Midden-Nederland. De Maas was en is er eeuwenlang de belangrijkste bepalende factor. Overal in het landschap komt u de sporen tegen van de omgang van de mens met de rivier: de bandijken langs de rivier, de wielen, de terpen, de dwars-dijken, de oude rivierarmen, de Hertogswetering, maar ook de veerstoepen en aanlegplaatsen voor schepen.

Omdat bebouwing in dit gebied eeuwenlang beperkt mogelijk was op de oeverwallen, zijn de vele kleine woonkernen die zich, als parels aan een snoer, op of langs de huidige dijken bevinden, nooit echt uitgegroeid. Op Megen, Ravenstein en Grave na bleven het kleine dorpjes waarin de inwoners leefden van landbouw en visserij. Zelfs nu lijkt het vaak nog alsof de tijd er heeft stilgestaan.

Middeleeuwse dijken

Tijdens de middeleeuwen werd er begonnen met het aanleggen van dijken op de oeverwallen. De bedijking van de Maas ging van west naar oost. Omstreeks 1275 was men gevorderd tot Den Bosch en in 1288 al tot Lithoijen. Tussen 1290 en 1330 werd gestaag verder gewerkt richting Grave. Over het algemeen lagen de dijken evenwijdig aan de rivier, west-oost dus, maar wanneer weer een stuk gereed was, werd het oostelijke eindpunt van de dijk verbonden met de hogere dekzand-rug in het zuiden en ontstond een noord-zuiddijk. Deze dijk beschermde de streek stroomafwaarts tegen rivierwater.

Zo verscheen bijvoorbeeld tussen Haren en Berghem de Groenendijk en bij Herpen de Erfdijk. Oorspronkelijk waren het in feite Maasdijken. Later, toen de bedijking van de rivier tot het Land van Cuijk was gevorderd, werden ze zee-, zeeg- of dwarsdijken genoemd.

De Groenendijk bij Haren

Al in 1326 duikt de Groenendijk als Maasdijk op in de archiefstukken. Toen omstreeks 1330 de Maas tussen Megen en Grave bedijkt was, ontstonden in het Land van Herpen de eerste afwateringsproblemen. Gelukkig werkte heer Jan van Megen mee. In 1331 gaf hij de inwoners van de dorpen Herpen, Huisseling, Demen, Deursen, Dennenburg en Langel, toestemming om een dijk en een sluis te bouwen bij Haren.

De nieuwe dijk liep van het uiteinde van de Harense ‘zeedijk’ tot de bocht van de huidige Oude Maas, ongeveer waar nu de zendtoren staat. Precies in die bocht mondde een wetering uit en daar werd een sluis gebouwd: de Harense, Diedense, Megense of Ravensteinse sluis, een plek die nog goed te herkennen is. Een beheerscommissie, met afgevaardigden uit de zes genoemde dorpen, zorgde voor het onderhoud van dijk en sluis.

De Erfdijk bij Herpen

In een document uit 1332 wordt de Erfdijk al genoemd. De naam heeft te maken met de verdeling van de gemeenschappelijke grond onder de Herpenaren: bij ieder stukje grond of erf hoorde een stuk dijk om te onderhouden.

De Erfdijk heeft het in al die jaren zwaar te verduren gehad, zeker in februari 1658, toen als gevolg van uitzonderlijk hoog water boven Grave de Maasdijken doorbraken. De watergolf sloeg grote gaten in de Erfdijk, waardoor vijf grote wielen ontstonden. Een enorme hoeveelheid zand bleef achter op de omliggende landerijen, die jarenlang onvruchtbaar bleven. Zelfs het relatief hooggelegen Herpen werd overstroomd.

Toch heeft de Erfdijk de eeuwen getrotseerd; het dijklichaam ligt er grotendeels nog. Ook de gevolgen van de waterramp van 1658 zijn nog steeds zichtbaar.

De Beerse Overlaat

In de 15e en 16e eeuw namen de afwateringsproblemen in de streek toe. Die hingen samen met het ontbreken van Maasdijken bij Beers en Cuijk, waar aanvankelijk de oeverwallen hoog genoeg waren. Steeds vaker echter stroomde, na zware regenval in Frankrijk en de Ardennen, de rivier over de oeverwallen, die dus als overstort (of overlaat) gingen fungeren. Het water ging richting Grave, vanwaar het over een soms kilometers brede strook afvloeide richting Den Bosch. Daar kon het dan via de Dieze de Maas weer bereiken. De Bosschenaren noemden dit verschijnsel in 1549 ‘den Berzewater’. De Beerse Overlaat en de Beerse Maas waren hiermee een feit. De vier dwarsdijken konden het water maar mondjesmaat tegenhouden wanneer het water niet meer zijwaarts naar de Maas kon stromen moest het verder westwaarts door de dwarsdijken heen.

Littekens in het landschap

Wanneer u over de dijken gaat die bij de Maas horen, kunt u op tal van plaatsen de littekens in het landschap zien die door de Maas zijn ontstaan. De zogenaamde wielen, die door dijkdoorbraken zijn ontstaan, zijn talrijk en even tekenend voor het lage stroomgebied van de Maas als de meanders zelf. Daarnaast ziet u op tal van plaatsen poelen of weerdjes. Bij het aanleggen van de dijken, maar ook bij het dichten van de gaten die in de dijken sloegen, werd de klei daarvoor gehaald uit de directe omgeving. Hierdoor ontstonden deze poelen of weerdjes. Op diverse plaatsen zijn de kribben (verhoogde delen) nog goed zichtbaar waar-over de karren reden om de afgegraven klei af te voeren. Later werden op deze kribben vaak wilgen geplant die jaarlijks de wilgen-tenen leverden voor onder anderen de mandenmakers.

In de loop der tijd zijn veel wielen en poelen gedempt, maar de laatste jaren is men het cultuurhistorische belang meer gaan waarderen evenals het belang voor flora en fauna. In het gehele gebied zijn deze plaatsen nu beschermd en worden oude wielen en poelen, die al verland waren, weer hersteld in hun oude vorm.

Moderne tijd

Ook in onze moderne tijd bepaalt de Maas het leven van de mensen in deze omgeving. Tot ver in de 20e eeuw is er bijna jaarlijks sprake van wateroverlast als gevolg van de Beerse Overlaat. De ellende die dat met zich mee heeft gebracht laat zich moeilijk inschatten. Berucht is bijvoorbeeld de grote overstroming van 1925 die aan de Gelderse kant het Land van Maas en Waal trof, Keent (dat toen nog aan de Gelderse kant lag) onder water zette en aan de Brabantse kant van de Maas het gebied van de Beerse Overlaat deed overlopen.

In ieder geval mag worden gesteld dat de steeds weer terugkerende wateroverlast de economische ontwikkeling van de regio ernstig heeft belemmerd. Dit is een belangrijke reden waarom Noordoost-Brabant lange tijd als achtergebleven gebied is beschouwd. Aan de waterellende komt eeneinde als in de periode tussen 1927 en 1937 de Maas-kanalisatie ter hand wordt genomen.

De jaarlijkse overstromingen houden op en de rivier wordt beter bevaarbaar. De dijken worden verbeterd, er worden stuwen en sluizen aangelegd om de bevaarbaarheid te optimaliseren en bochten worden afgesneden om de waterafvoer te verbeteren. Delen van Gelderland komen bij Brabant (zoals Keent) en delen van Brabant gaan naar Gelderland (zoals Alem). De spoorbrug bij Huisseling, die het water van de Beerse Overlaat moest doorlaten, verliest zijn functie en wordt grotendeels gesloopt. Als u met de trein van Nijmegen naar Oss gaat, kunt u de peilers nog uit het talud van het spoordijk zien steken.

In recente jaren heeft de hoge waterstand van de Maas enkele keren tot kritische situaties geleid. Zo ook in 1993 en 1995. Door een combinatie van factoren zoals klimaatveranderingen, maar ook betere afwateringsmogelijkheden stroomopwaarts, kan weer met nieuwe ogen naar het stroomgebied van de Maas worden gekeken.

Om de rivier de ruimte te geven worden er op tal van plaatsen in de uiterwaarden werkzaamheden verricht die het bergend vermogen bij hoge waterstanden moet vergroten. Zo wordt bijvoorbeeld de oude Maasarm bij Keent hiervoor weer afgegraven en vinden er afgravingen plaats in de Hemelrijkse en Alphense Waard tussen Oijen en Lithoijen. Vruchtbare gronden in de uiterwaarden, die gedurende vele generaties werden ontgonnen voor de landbouw en veehouderij, worden daarbij terug gegeven aan de natuur. Om te voorkomen dat de uiterwaarden in korte tijd weer dichtgroeien met bomen en struiken worden deze natuurgebieden beheerd met grazers zoals koeien, paarden en schapen.

In de steeds sneller onwikkelende samenleving en verdere verstedelijking van Nederland zijn in het gebied van de Maasmeanders nog zaken te vinden die steeds schaarser worden. Rust en ruimte, maar ook nog veel cultuurhistorie en de bijna spreekwoordelijk Brabantse gastvrijheid, zijn hier nog gewoon en als vanzelfsprekend, aanwezig. Door de omvorming van cultuurgronden in natuurgebieden nemen de kwaliteiten in dit gebied verder toe. Deze kwaliteiten worden steeds meer gewaardeerd door mensen uit de druk bevolkte gebieden in de nabije omgeving. Steeds meer wordt de vrije tijd in dit gebied doorgebracht. Hierdoor ontstaan kansen voor de vrijetijdsindustrie en beginnen toerisme en recreatie een steeds grotere economische betekenis te krijgen.